Eeuwigheidszang der Verlorenen. (Wim de Lobel)

Eeuwigheids zang der verlorenen.

 

Inleiding, samenstelling en heruitgave   onder redactie  van:

Wim de Lobel

 

Teksten uit:  Over het begrip mens in de cultuurgeschiedenis van de mensheid  (rond 1939) van  de                                  Rotterdamse  vrijdenker, theoloog en filosoof

Jan Börger (1888-1965 )

 

uitgave:  2008 Jan Börgerbibliotheek.

Postbus 43 2750 AA Moerkapelle.

www.ibizweb.nl/borger ISBN/EAN 978-90-76033-28-0

 

 

‘ Maar in de ordening van de tijd weerklinkt het tijdloze lied der Verlorenen.’[1]

 

Zoals  de golven van het eeuwige oceanische  spel van  eb en vloed, waar op de horizon het eindige en  oneindige in elkaar lijken over te gaan.’ ‘De werkelijkheid berust op  trilling en resonantie.’   ‘De  mens… zowel snaar als klankbord.’  [2]

 

Dit zijn zomaar drie zinnen uit het  nieuwste boekwerk van spirtueel -an-archist  Wim de Lobel[3], waarin hij het  kosmisch bewustzijn  bezingt  dat  hij herkent in  antieke  en  meer eigentijdse  cultuuruitingen.   Kosmisch bewustzijn sluimerde reeds  in hem, tot het bij  het  Rotterdams Logos-Verband van ex-predikant en filosoof

Jan Börger  klaar wakker werd geschud.  In dit boek  biedt  hij -aan de hand van zijn eigen  gedachten-  een  aantal teksten  aan  van  Börger.

 

Werkelijkheid op zoek naar zichzelf.

 

Een beginpunt van een fase kan men beschouwen als tevens het eindpunt van een voorgaande  fase. Zo een punt is zowel een grens als een overgang.  Zichzelf voortdurend in de staart bijtend  ontwikkelt het natuurproces zich van fase naar fase,  voortdurend  met zichzelf in wisselwerking, alsof het met zichzelf in dialoog is.

Dat  ‘dialectisch’  proces –al veranderend in zichzelf rustend[4]–  heeft heel wat  op  het  ‘geweten’.  Zoals o.a.:  het ontstaan  van zeer complexe organische vormen van ‘intelligentie’, waaronder wij ook ‘de mens’ durven  rekenen.  Sedert mensenheugenis bespeurden  mensen oorzaken achter waarneembare verschijnselen. Al speurende zochten zij oorzaken van hun bestaan, hun denken en doen.  Er ontstonden mythen en legenden, religieuze systemen en wijsgerige opvattingen. Men onderzocht  verschijnselen, herkende  structuren en  een hoge  mate van  ordening. Menselijke ‘logica’ bespeurde ‘logica’ in natuurverschijnselen middels hun bestaan en hun denken. Hun inzichten beïnvloedden in hoge mate hun gedrag, hun ethos of ethiek.   Er  ontstond een mate van zelf-bewustzijn  in  het verschijnsel ‘mens’.

Men zou  kunnen zeggen  dat het natuurproces    levensvormen  in zich ontwikkelt  waarin   haar immanente  logica  zich -in zekere mate-   ‘openbaart’.  Of, zoals Börger ooit opmerkte en door  De Lobel  werd aanhaald:  ‘de kosmische werkelijkheid is op zoek naar zichzelf en komt procesmatig  in het menselijk bewustzijn tot zelfherkenning. ’[5]

 

Om dit te benadrukken,  wijst De Lobel  ons  op  o.a. de  zienswijze van  de Britse paleobioloog  Simon Conway Morris  in zijn boek  ‘Crucible of Creation (crucible=smeltpot). ‘,,Wanneer je een aardachtige planeet hebt en drie miljard jaar de tijd, dan is het onvermijdelijk dat er in die tijd een vorm van intelligent leven ontstaat”, zegt Morris. En zelfs: ,,Als er buitenaards leven is, lijkt dat op het aardse leven, inclusief intelligente mensachtige vormen.”

 

 

Alpha en Omega.    

 

Een beginpunt  vormt, dus in principe, tevens  een eindpunt. In diepere zin vormt  zo een  abstracte punt  een  grens en een overgang  in zichzelf en  geeft ons een vaag  idee van een dynamische drie-ëenheids-verhouding. Zo een verhouding schept  een midden en tegelijk het een en het ander,  schept  zowel grens, overgang,  richting,  ruimte en tijd.  Zo een  dimensieloze verhouding schept, verbindt en scheidt  tegelijkertijd wat WAS en wat Zijn zal. Het ‘openbaart’– zich  aan ons bewustzijn als  niets, leeg, maar ook als een  horizon,  waar  eindige en oneindige  in elkaar lijken over te gaan.

 

De werkelijkheid berust op trilling en resonantie, stelt de Lobel. Hij voelt en weet  zich als verschijnsel ‘mens’ zowel  snaar als klankbord  van die werkelijkheid.  In het menselijk zelfbewustzijn resoneert   het eeuwige  spel  dat  zichzelf   als  oorzaak in haar eigen effect  weerklinkend  tot begrip  en  tot  uitdrukking  brengt.

Volgens de Lobel dient de mens dan ook begrepen te worden  als  een onlosmakelijk deel  van het universele geheel waarin de werkelijkheid  tot zichzelf in verhouding staat.[6]

 

De cultuurgeschiedenis van de mensheid  vertelt ons over  de mate waarin  het universele geheel  zich aan   haar onlosmakelijke delen  heeft kunnen  ‘openbaren’.  In het  verschijnsel ‘mens’ is in vele culturen  meermaals  een  besef doorgebroken  over de dynamische verhouding  die voortdurend verleden in  toekomst  verandert, [7]  als  eeuwig  zichzelf voedende  cyclus.[8]  Oude symbolen,  berichten ons  over  culturen waarin  het universele geheel zich  aan  haar –intelligente levensvormen   verstaanbaar heeft  kunnen maken.

Die cultuurgeschiedenis vertelt  ons ook in welke    mate  die werkelijkheid daar minder succesvol  in  is geweest.  Zo betreurde de Griekse filosoof    Herakleitos  reeds  500 jaar v.o.j.  het   eenzijdige denken van de bewoners van Ephese. Deze  lieden  brachten liever  bloedige offers om  Goden jegens henzelf  gunstig te stemmen,  dan in plaats daarvan  hun  eigen  denkend  bestaan  te doordenken. [9]  ‘Waarmee zij het meest  verkeren,  daarvan zonderen zij zich af….’, mopperde  deze Griekse denker  die  zijn notie  van de  ‘Logos’ aan de cultuurgeschiedenis  schonk.

 

 Het denken doordacht.

 

De nog zeer jonge  katholiek opgevoede Wim de Lobel, had zo zijn twijfels over het Godsbeeld dat hem  werd voorgehouden.  Hij sloot zich aan bij  een aantal vrijdenkers.  Aan het begin van de jaren vijftig bezocht hij op aanraden van vrienden  een keer  een voordracht  van de filosofische aangelegde ex-predikant  Jan Börger. Börger had  rond de dertiger jaren een  eigen filosofische school opgezet en door de  jaren  heen een  flinke groep toehoorders in Rotterdam  rond zich verzameld.  Die school noemde hij het Logos-verband.  De school werd druk bezocht  door  een groot aantal  filosofisch geaarde  mensen die, net als Wim,   ‘zochten  naar  een bevredigender inzicht in de achtergrond der dingen en de betekenis van de mens daarin’.

 

Börger hield zich als theologisch geschoolde vrijdenker, dicht in de buurt van het  Evangelie,  maar  toonde aan dat er achter die oude  teksten  zich een  veel dieper inzicht op  mens en universum  verborg. Zo  bracht hij zijn toehoorders in contact met  gedachtegoed van  denkers  als Herakleitos,  Philo van Alexandrie, Nicolaas van Cusa, Spinoza,  Hegel en  Nietzsche.  Ook  verwees hij dikwijls   naar  teksten van o.a.  Goethe en Dostojevski.

 

Door Börger kwam  De Lobel in  aanraking met   cultuurgeschiedenis en  mythologische verhalen.

Na de dood van  zijn  charismatische leermeester  legde  De Lobel ter nagedachtenis  een  verzameling aan. Hij ordende alle aantekeningen en teksten die door leerlingen en erfgenamen aan hem werden afgestaan.  Die verzameling wordt  door hem bewaard en gekoesterd  in de Börgerbibliotheek  die is gevestigd in Moerkapelle.

De Lobel  redigeert al vele jaren  diverse  teksten  die hij zelf  in boekvorm uitgeeft. Al deze werken hebben raakvlakken met het werk en het leven van Jan Börger.

Zoals b.v. de werken van H. v.d. Berg-van Eysinga, H. de Heer, B. de Ligt, en vele anderen zoals  o.a. de auteur van deze boekbespreking.

Geïnspireerd door  hetgeen  hij  vernam  tijdens de  voordrachten, ontdekte De Lobel waarnaar hij  gezocht had.  Zijn interesse was gewekt  voor  in mythen, symbolen en  kunstuitingen  vervatte natuurfilosofische   inzichten.  Samen met zijn vrouw Annie maakte hij  vele  reizen  door de restanten van antieke culturen. Telkens werd hij weer getroffen  door  de reeds in de oudheid  ontwikkelde wijsgerige  opvattingen. In het licht daarvan  kwam de aard en de inhoud van  evangelische teksten  in een  meer helder en  meer bevredigend daglicht  te staan.

 

Logos  weerklinkt  in  ‘verlorene’.

 

Zojuist heeft  De Lobel   zijn nieuwste boek  afgerond. Het bevat   teksten van Börger die hoofdzakelijk handelen over  de zichzelf voortbrengende  werkelijkheid, die zich in haar intelligente delen van zichzelf  bewust wordt.   De Kosmos(=schone orde) beschouwt zichzelf, zou men kunnen zeggen.  Börger  legt dit begrip uit   als dialectisch proces, en interpreteert daarvoor de betekenis van Grieks mythologische  figuren.  Hij verwerkt de  hegeliaans drieslag – these, antithese, synthese –  vervat  in de verhouding tussen  vrouw, man en  kind.  Hij stelt  het  maagdelijk zuivere(vrouw)  op- zich -zelf –zijn,   zichzelf objectiverend  als  voor- zichzelf- anders- zijn dat nu  zowel subject als object  is. Het voor- zichzelf – anders   stelt zich eenzijdig (man)normerend  op ten aanzien van haar/zijn object. Pas na  het moment waarin bewustzijn zichzelf verschijnt als volledig-zelfbewust  begint een fase waarin vermeende ongelijkwaardigheid verdwijnt in het licht van hernieuwde zuiverheid. De voorgaande fasen verzoenen zich…in hun effect, het kind.  Het kind,  een bewustzijnsfase dus waarin subjectieve eenzijdigheid verdwijnt en heelheid verschijnt. Een fase  waarin  het normerend subject  zichzelf verliest  nu  zuivere heelheid  wordt beseft.

Zo  klinkt  in de menselijke cultuurgeschiedenis  ‘de  eeuwigheidszang  der ‘verlorenen’,  een  een heelheid zingende zang.  Een  heilbrengende zang eveneens, waarin  omzetting van gezindheid (metanoia) mogelijk wordt.[10]   .

 

Börger  werkte in bovengenoemde tekst  zijn opvattingen uit over het  eenzijdig  destructief wordend   Europees bewustzijn  tijdens het Interbellum.  Dit deed hij aan de hand van evangelische teksten en mythologische  opvattingen over  de  achtergrond der dingen en de betekenis van de mens daarin’.

De Logos-idee, zien we in dit werk aan het werk als een  min of meer sexueel geaarde  zichzelf  voorplantende  dynamiek, zich uitdrukkend in al haar complexe natuurvormen,  die in een zekere mate  in ‘ intelligente mensachtige vormen’  bewust kan worden.

Het is als  een  licht  dat  in klassieke  culturen  zo nu en dan  helder   was  doorgedrongen  in de  duisternis.

Doch in de  Europese cultuur, waarin Börger  leefde,   was het menselijk  ‘verstand’ te zeer verduisterd doordat het zich  mentaal  had afgescheiden  van   dat waarmee het  verbonden is.

Börger,   net als destijds  Herakleitos,  wilde  tijdgenoten  wakker schudden. Bij de Lobel is het hem dat  zeer zeker  gelukt.

 

Echter,  voor iemand die Börger niet zelf  heeft horen spreken,  zijn de  teksten  niet zonder   inspanning te   begrijpen.  Dus is het maar goed dat deze teksten worden voorafgegaan door  een uitgebreide  en verhelderende  inleiding (64 pagina’s) van  Wim de Lobel..

 

In die inleiding benadrukt hij   de  basisgedachte van Börger,  die zich de werkelijkheid  dacht als   beweeglijke factoren   met   daaruit voortvloeiende  verhoudingen.[11]  Die basisgedachte is later  verder   op zeer erudiete  wijze  uitgewerkt  in diverse  werken  van  de  fysicus  Hans de Heer.  In het werk van deze  door Borger  ‘wakker geschudde’  tijdgenoot herkennen we  de Logos. Maar door deze wetenschapper  wordt de dynamische dialectiek  beschreven in   quantumveld-theoretische termen en heet dan ‘oerinformatie’.

 

Börger  bestreek met zijn voordrachten  het  brede spectrum   tussen   theologie, natuurwetenschap en filosofie. Hij  maakte zijn toehoorders duidelijk dat  de  goede boodschap(eu-angeli),  de Logos-idee en  ons  aangeboren  “licht der rede”  elkaar niet in karakter  ontlopen.

.

Echo    in  alter-ego.

 

De door  De Lobel  en zijn leermeester beschreven  verhouding  is  als een  beeldloos substantiebegrip, een abstract gods/natuur-idee,  de  natura naturans  werkzaam in  natura naturata.  Als begrip is het in woorden niet  uit te drukken, als symbool  verwijst het slechts,  als  mathematisch begrip  is het zonder dimensie en  in de wereld van vormen  kan het niet verschijnen….

Maar in  een  menselijk bewustzijn, gezuiverd van subjectieve  eenzijdigheid,  vindt het  zichzelf als  alter  ego…… daar klinkt de echo …daar  is een klankbord…  dat de Logos verstaan kan.

 

Conclusie.

 

Het  uit(een)leggen van een verhouding die  ineen en uiteen tegelijkertijd is, is volgens mij in  het werk van  De Lobel, net als in alle filosofische werken  een filosofisch  probleem gebleven.  Dit omdat een dimensieloze Idee zich  niet in woorden laat vangen.

Maar,  zoals alle goede  en oprechte  filosofische werken, geeft het  ons  een stimulans   ons  subjectieve begrenzende  ikje  te overstijgen, of  beter gezegd  te verliezen,  om een   ruimere blik op de werkelijkheid  te winnen.  (zie ook noot 10)

 

We   zijn dan ook  De Lobel zeer  dankbaar zijn dat hij  een grote  mate van  kosmisch bewustzijn, blijkens de cultuurgeschiedenis  voorkomend  bij  ‘ intelligente  mensachtige vormen’ ,   mede  door zijn  nieuwste  pennenvrucht,   in zijn lezers    heeft  kunnen   doen  weerklinken.

 

‘…..de wetten en regelen van de Natuur, volgens welke alles geschiedt en van de ene vorm in de andere    overgaat, zijn altijd en overal   dezelfde…( cit.  .B. de  Spinoza   Ethica voorrede deel 3)

 

Drs. I.C.J.Lamers-Versteeg. (philos.)

[1] cit. De Lobel Pag. 61

[2] idem

[3] Zie  de brochure Spiritueel anarchisme, W.de Lobel. www.ibizweb.nl

[4] Zie  noot 9

[5] Pag. 62  In een Hegeliaanse sfeer schetst Börger ook de werkelijkheid als een universeel  bewustzijnsproces in de eeuwige herhaling van wording en ontwikkeling, van reflexie en zelfweerspiegeling.

[6]|cit. De Lobel pag. 12

[7] Romeins Janus-symbool, (Janua=deur, poort, interface, relatie).  Symbool  eind  oud en begin  nieuw-Januari) . Idee  door  Romeinen uitgebeeld als God  waarin twee tegengestelde gezichten onverbrekelijk EEN ZIJN zijn.

[8] Ouroboros,  Oosters symbool  voor  eeuwige  oneindige  zelfbeweging.   Slang die zich voedt met  eigen staart.

[9] Herakleitos….fragment 69 ‘…zich veranderend, rust het…’

Herakleitos…fragment 3….waarmee zij het meest verkeren – met de Logos die het Al bestiert – daarvan zonderen zij zich af…… ’

Herakleitos …fragment   93. ‘het is onmogelijk tweemaal in dezelfde rivier te stappen…hij verstrooit en brengt samen..en komt op ons toe en gaat van ons af…’

[10]  Pag 186/ 187 (metanoia-omzetting van besef )…dit begrip is in het besef van de mensheid van na de antieke cultuur wezenlijk in vergetelheid geraakt. Het begrip ‘bekering’ heeft helaas een  connotatie gekregen  waarin de oorspronkelijk betekenis van totaal  verloren is gegaan. Plato beschrijft dit bewustzijnsniveau als   noesis,  hetgeen door  Spinoza wordt  beschreven als  hoogste  kennisniveau.  (ilv)

 

[11]  Pag. 16